is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen, dat ze een oogenblikje naar de rivier keek, die achter de schepen zoo breed en glanzend, met kleine gouden golfjes stroomde naar heel ver, tusschen groene landen door, had ze zich eensklaps onder de okseltjes voelen

opnemen en even maakte ze een gek geluidje in haar

keel, want het dek van de boot was onder haar weggezakt en beneden zich zag ze het water, de blinkende golfjes, waarboven ze zweefde, hoog in de lucht. Maar dadelijk stond ze weêr vast op den grond en zag ze den grooten, rooden man snel van haar wegstappen, nog lachend omziend. Haar oogjes keken, wijd en grijs. Maar een blijheid, met een schokje, ging door haar hartje heen: ze was een vogeltje geweest! En dadelijk besloot ze den aardigen, sterken man morgen te vragen, haar nog-eens een vogeltje te laten zijn

Tegen dat het aan de kade donker werd, moest Fietje altijd in huis komen. Dan kreeg ze nog een boterham met melk van d'r pa, — d'r moetje had ze nooit gekend — die ze achter de toonbank, waar al de gekleurde flesschen stonden, mocht opeten. Dan brandden er in de kamer lampen en waren er dikwijls menschen, die luid door elkaar spraken, allemaal tegelijk.

Maar Fietje hoorde daar nooit veel van; haar hoofdje voelde zoo zwaar van een heelen dag licht en zon en ze had moeite haar oogen open te houden. Het licht van de lampen zag zij wazig in een damp van tabaks-rook en het