Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fietje had den heelen morgen moeten thuisblijven, op een laag stoeltje zittend in 't buffet, waar haar vader de klanten hielp. Door den regen-op-Zondag was het een druk geloop geweest. Fietje hoorde een verward geroes van stemmen om zich heen en soms een slag op een tafel, die haar dan licht schrikken deed. Zij voelde zich heel verdrietig. Het was zoo nauw achter 't buffet en zoo donker; telkens stootten de beenen van haar vader tegen haar aan, als hij zich omdraaide om een karaf van een der planken te krijgen.

Het kindje verlangde zoo naar buiten, naar de schepen en naar de rivier. Haar grijze, wijde oogjes staarden maar onafgebroken naar het licht-gat boven de deur. — Een paar malen ook had haar vader haar eensklaps opgetild en op den rand van 't buffet gezet. Dan zat Fietje plotseling tegenover een vreemden man, die liefjes tegen haar begon te grijnzen. Dan zei haar vader: „Sophie, geef die meneer 's 'n handje; 't mooie handje hoor "

En Fietje legde aarzelend haar vingertjes even in de groote haar toegestoken hand, trok ze dan haastig terug.

„Ze heet naar Sophie, naar koningin Sophie " begon

haar vader den vreemde dan te vertellen, „de vroegere gem&alin van Willem III, daar had je de plaat waar ze opsting "

Dan kon Fietje soms een vreemd gevoel in haar keel krijgen; dan begonnen de kleurige flesschen voor haar oogen te draaien en te dansen, net-of het alle-

Sluiten