is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jonge kerels, die schel door hun vingers floten en slingerzwaaiden met hun tinnen drank-flesschen.

Trui kwam een der achtersten.

Bertels zag haar dadelijk; ze liep met Mie Yerdonk uit de Dwarsstraat; zoo klein en minnetjes die Mie bij die forsch-breeë Trui; de menschen zeiën dat de fabriek haar de tering zette

Bertels was wat verder uit zijn huisje gekomen; stond

nu aan den rand van den lichtkring Om zijn maag

duizelde maar al dat vreemd gevoel....

Doch Trui had het met Mie te druk; de kleinere armstuttend klomp-kloste ze naast haar vriendin voorbij zonder te zien....

Maar Bertels hóórde, hoorde wat Trui zei. - „Hij kan voor mijn part naar de duvel loopen.... die pierewaaier.... hij mot vooral niet denken dat ik van z'n apekool gediend ben ...

En Mie, haar bleek gezicht naar zijn kant: „Zoo, dag manke!" gichelde zij, in 't voorbijgaan ....

II.

Bertels had het ijzeren fabriekshek op 't nachtslot gedaan; de laatste achterblijvers had hij in het duister van den avond zien vertrekken, zwarte stippen tegen 't witgrauw van den hemel, waarmee zij eindelijk verdoezelden.

Vóór het sluiten was hij nog een paar pas den