is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weg opgegaan, in dof getik zijn houten been-stompje telkens verplaatsend op den hard-drogen grond, zijn handen diep in de zakken. En zijn oogen hadden gedwaald in de richting waar het stadje lag, waar zoo juist al dat volk, als schimmen, heengetogen was en waar hier en daar een koper-geel lichtje even uit het donker ópbibberde en weer in den nevel weg-vaagde....

En in zijn borst leefde nog flets de pijn na van de woorden die hij zoo-juist had gehoord; hij dacht er niet over, hij vóelde alleen dat ze er nog was.

Toen was hij haastig, van kou half-verstijfd, teruggekeerd, had gesloten en zijn huisje opgezocht.

In 't kamertje, bij 't gloeiend-rood-staande, buikige potkacheltje, zat zijn moeder, oud gelig vrouwtje met ingevallen plooi-wangetjes, te breien. Boven haar hoofd, in een rood kooitje, lodderde een dikke kanarie op zijn stokje. En hij was nog niet binnen, of't lieve-leven begon al. Het vrouwtje, zonder op-zien van haar werk, drensde: „Jacööb, heb je de kraant meegebracht?...."

Bertels was bij de deur blijven staan. Inééns zag hij weer 't tooneeltje van dien middag: Trui onder 't rooie kooitje, recht en breed staande, haar dikke, blonde haarwrong trakende bijna.... En plotseling, over de flauwe, durende pijn in zijn borst héén, nu een spijt en teleurstelling, dat het niet meer zoo was, een boosheid op zijn moeder, die suffe, dikke kanarie, die gansche drensboel hier in 't kleine kamertje

Maar hij hield zich in, kreeg de courant - een twéé-,