Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als een groote eenzaamheid en vijandigheid, de sombere, leêge fabriek, de lichtlooze vensters öm hem.

Zoo ellendig strompelde hij daartusschen rond op zijn houten been en inééns had het zich als een vraag, geformuleerd, in hem gesteld: Zou hij dan nooit en nóóit met dat verleden, dat gevloekt verleden hebben afgerekend; zou dan ieder en alles hem altijd weer daaraan komen herinneren, zijn been, zijn moeder en Trui ?

Hij was tegen een muur van de ververij gaan staan, onder een soort van afdakje; zoo tegen de dwarlende sneeuw wat beveiligd. Maar 't was immers niet zeker, dat ze hem bedoeld had; zijn naam, had hij haar immers

in 't geheel niet hooren noemen, en dat verleden wie,

behalve zijn moeder, kende dat hier ?

Maar Mie's spottende groet drong zich weer aan hem op : „Zoo, dag manke !"... O, dat been ! Hij voelde hoe dat hem aan zijn verleden gebonden hield, hoe al zijn moeite dat verleden te begraven, vruchteloos blijven zou, zoolang dat houten been...

O, neen, 't was niet alleen zijn moeder die dat donkere verleden kende; de gehééle fabriek kende het; al die menschen die hij dagelijks langs zich komen zag, mannen, vrouwen en kinderen.... Hij was wel stom geweest, te denken dat hij ooit weer worden kon als die allen en dat ooit een vrouw hèm zou willen hebben, den „manke", den „pierewaaier" van voorheen... Zijn naam, de naam van nu jaren geleden, toen hij achttien, negentien geweest was en ginds in 't Zuiden gewerkt

Sluiten