is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeten, en als Bertels hem zag, werd hij altijd rauw weêr aan zijn eigen vroeger leven herinnerd, dat leven, waarvoor hij zich die laatste jaren gaan schamen was....

Hij stond op het punt van terugkeeren, had zich al omgedraaid. Maar het kamertje thuis, waar zijn moeder zat en het roode kooitje hing met de dikke, duffe kanarie, hield hem terug. - En de pijn, de stekende pijn, die de laatste minuten weêr was weg-geflauwd tot het weeënde gedrens in zijn borst, gaf hem nu eensklaps, bij 't even weêr denken aan Trui, die tóch niet van hem wilde, een lust, een woest verlangen, welke hij herkende als den lust, het verlangen van vroeger, die hem, na het werk, met slechte kameraden omgang hadden doen zoeken .... Wat gaf 't ook eigenlijk, braaf-zijn, 't heiligboontje spelen, zooals hij de laatste jaren gedaan had? Gaf iemand hem er dank voor? Zijn moeder? Ze had van al zijn strijd en gehaspel tegen 't kwaad niet méér gemerkt dan z'n slof; - voor htór zou zijn nieuwe leven niet beginnen of hij moest trouwen. Vanavond had hij 't immers nog gezien? Braaf-zijn, oppassen .... onzin; gemerkt was je tóch eenmaal, als je zoo'n houten poot je verder leven had meê door te sleepen. Je bleef tóch maar de „manke," de „pierewaaier"....

Hij voelde zich vol worden van bitterheid; een onweêrstaanbare drang dreef hem verder het donkere gangetje door, naar den roodigen schijn, die van-uit de pakkamers op den muur danste. — Met kleine, nijdige klopjes werd er binnen gehamerd; 't geluid spetterde tegen de stugge