is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn onverschilligheid als ontwaakt. De pijn vlijmde weer in hem op — en hij zag weer 't tafereeltje van gisteren, vanmiddag: Trui, groot en blond en frisch in zijn lage kamertje, bezig met het koffie-water op zijn kachel

Een verlangen naar haar, 't liefkoozend verlangen dat hij de laatste drie dagen stil voor zich heen, als een schat, gekoesterd had, en de hoop, de lieve zachte hoop, bijna al een zéker-wéten, dat zij eens, heel gauw al, zijn vrouw zou worden, keerde nu eensklaps fel in hem terug, deden hem Gijs, naast zich, zien als een, die hem zijn eigendom, zijn vast en rechtmatig bezit ontnemen wilde.

„Je liegt het..." zeide hij kort, Gijs van ter-zijde strak aanziende.

„Zoo, lieg ik het " grimde die. „En voor hoeveel wed

je dan, dat ik d'r trouw? De meid is gek op me,

wat ji/j ouwe? " pochte hij welbewust; nam nog een

slok.

Een trilling doorliep Beitels van 't hoofd tot de voeten; de plotselinge gedachte schokte hem door 't hoofd: als het eens waar was! Trui aan Gijs haar woord gegeven, dien drinker, dien schobbejak!

Dreigend en tergend klonken weêr Trui's woorden van dien avond, bij den uitgang, hem in 't oor en Mie's smalende bemerking terstond daarop, als een geniepige blijdschap om zijn vernedering: „Zoo, dag manke!"....

Hij, die gestreden had, jaren; een braaf, oppassend man