Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij voelde zich stram en moê; van morgen was hij al vroeg op geweest en den ganschen ochtend had hij aan 't roer gestaan en toen, bij de stad, dat ze om de bruggen Bruin hadden moeten afspannen, had hij geboomd, samen met Doris; had hij den stok voelen priemen op zijn borst, waar hij pijn gekregen had en benauwings, als altijd bij het boomen.

Toen hadden ze voor een klein uur aan de Achtergracht gelegen en had hij wat rust gehad, even; en toen was het gebeurd.... Nu, bij het över-denken, was daar eensklaps weêr die vreemde schok die door hem heenvlijmde en kreunend schichtte hij met zijn oogen weêr naar de kajuit. — Hij had zich, dien morgen, juist even op een rol touw aan de voorplecht neergelaten, nog hijgend van de inspanning bij 't boomen, toen het gebeurd was. Doris was even weg, voor 't paard gaan zorgen dat bij Rikus

Dammers stalde en toen had hij haastig langs den

wal een vrouw zien aankomen, in een rood-bruine sjaal, die opbolde voor haar borst, als droeg ze er wat onder. Hij had haar niet dadelijk herkend; hij zag haar voor het pakhuis met de mannen praten, wien ze iets te vragen scheen. Toen wees een der mannen naar „De Hulp van Boven", zijn schip, en was zij haastig naar de plank geloopen, toch met iets dralends ook, als hield er iets haar voeten tegen. En toen had ze ineens voor hem gestaan en had hij haar herkend. Zij was nog dezelfde die hem vier jaar geleden verliet, alleen wat ouder, wat magerder en ingevallener, met vreemde zenuwtrekkingen nu op het bleeke, eertijds

Sluiten