is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blozende gezicht. — Stijf, als een beeld, had ze vóór hem gestaan, in haar rood-bruine sjaal, en zachtjes, met kleine snikjes, had ze gehuild, als achter In haar keel, met oogen die droog bleven. — Hem was het geweest of hij zich niet meer roeren kon, of alles aan hem eensklaps was verlamd. Hij had getracht te spreken, maar zijn tong kleefde plakkerig tegen zijn verhemelte; hij had zijn arm willen opheffen, maar dat was een slap, gevoelloos ding, waaroVer hij 't bestuur verloren had. — Toen was er eindelijk geluid over haar lippen gekomen, een enkel woord, bijna een zucht: „Vader..." En hij was opgeschrikt, als eensklaps levend wordend door dien klank van heel vroeger, dat ze nog een klein meisje was en 't óók vaak van tusschen de roode lipjes zuchtte, half smeekend, half liefkoozend: „Vader..

En, als met een flits van herinnering nu, zag hij haar zóo, kind, met de blauwe onschuld-oogen en de roode lipjes, haar, deze vrouw, die hem verlaten had ... verlaten !...

En hij had zich weêr steen voelen worden, ijs; had geroepen, rauw, wreed-vreemd bevelend: „weg... weg... ik ken je niet... ik ken je niet..

Menschen stonden aan den walkant stil; de lossers staakten voor even hun werk, bleven halfweg het ruim op het laddertje dralen. Zij, met haar fletse oogen, schichtigde rond, sloeg eensklaps de slip van haar sjaal op: „Als je dan geen meelij met mij heb... je dochter... heb 't dan met je kleinkind ... vader ... om Godswil vader... om