Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beklemd tusschen de beide rijen donkere huizen — winkeltjes en kleine pakhuizen meest — triestiger en verlatener dan ooit. Vóór hem de achtergevel van de Broodfabriek, breed en hoog opbonkend temidden der lagere huizen er om heen, met vierkant-helle plekken licht, als vurige gaten hier en daar geslagen in 't grauwe avondduister. En verder ook, het grachtje langs, uit de kleine winkeltjes, kwijnden overal bleeke schijnsels, waarbij hij af en toe menschen bewegen zag, die schimmig gebaarden boven de uitstallinkjes van manufacturen en grutterswaren, maar vaag zichtbaar achter de plekkerig beslagen ruiten.

Nu waren de mannen klaar, trokken hun jassen aan, luid pratend, dat het vreemd over 't stille grachtje klonk. „Kom jongens, d'r nog eentje pakken!" hoorde hij er een roepen en hij zag ze ginds het kroegje ingaan op den hoek van de steeg, de laatste met schor glas-gerammel de deur achter zich toetrekkend. Toen was het ineens heel stil, vreemd nu het voeten-geklak der lossers niet meer ging over 't dek en het eindje straat tusschen 't grachtje en de Broodfabriek. Hij voelde die stilte eensklaps als iets benauwends om zich heen en hij verlangde dat Doris, die een paar uur geleden de stad was ingegaan, nu mocht terug keeren.

Van uit de huizen, waar af en toe de schimmen bewogen tegen de flets-witte vierkanten van gesloten gordijnen, klonk gedempt het praten der menschen door en eens een helder gelach, als van een jonge, vroolijke meisjesstem.

Ouwe Jan richtte zich wat op, aan zijn mast, stram

Sluiten