Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van vocht en een wee gevoel om zijn maag van groote verlatenheid. Met onzekere, als wankelende passen ging hij nu zijn dek op en neêr, om warm te worden. Af en toe stond hij even stil en zag naar het donkere grachtwater, waar de enkele lichtveeg in kurkctrckkerde van een eenzaam aan den walkant staande lantaren.

Toen dacht hij weer aan naar beneden gaan, in zijn kajuit; de kou, de donkerte en vooral de stilte, de vreemddrukkende beëngde stilte hier op 't water, tusschen de huizenrijen met de vierkante lichtplekken en het vage menschengeluid, pijnden hem, in dat wijde, leêge verlangen dat door zijn borst drensde .... Maar dan ook telkens was het weêr die plotse schrik, als een afschuw bijna, die hem van het luikje wegdreef naar het andere gedeelte van het dek, zoo ver mogelijk.

Neen, het kon niet.... het kön niet.... hij reilde niet terugzien haar, die schande over zijn grijze haren had

gebracht ze was zijn kind niet meer; hij kende haar

niet meer en morgen moest ze weg, weg, van zijn schuit, weg met het kind.... weg, voorgoed wèg....

Hij krampte zijn vuisten ineen en klemde zijn tabakspruim stijf tusschen de kiezen, terwijl hij met zijn voet driftig op 't dek stampte. Een oogenblik schoot het hem wel door het hoofd, met een flits van herinnering aan heel vroeger, zijn kindsheid, dat hij zat aan de voeten zijner moeder, zoo vertrouwvol het haar nastamelend: „Vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergevenonze schuldenaren " en het schrijnde even door hem heen,

Sluiten