is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat zei-i dat vreemd, zoo ernstig ineens na de malle liedjes die hij gezongen had. Je wist nooit bij dien jongen

of het ernst of spotten was. Maar nu nu geloofde

hij toch wel dat het ernst was geweest. — Hij was niet kwaad, die Doris; best voor zijn werk; alleen maar wat wild en ruw, een gevolg van zijn verwaarloosde opvoeding

De oude kon den slaap niet vatten; een warreling van gedachten spookte door zijn brein, waarvan nu de eene, dan weer de andere als met een veer naar voren sprong boven de overige uit, terwijl geheel zijn denken steeds doortrokken bleef van dit ééne besef: dat zijn dochter dien morgen was teruggekomen en nu vlak in zjjn nabijheid was, misschien nu óok met open oogen wakker lag, evenals hij.

Doris.... Toch bleef de jongen nog een tijdlang voor zijn geest malen; was hij nu terug in den tijd dat hij hem had leeren kennen en bij zich had genomen; dat was juist in die dagen dat hij zijn jongsten zoon aan de typhus verloren had en zijn oudste óok zwaar ziek lag, op het punt zijn broer te volgen. Hij had toen een knecht moeten nemen om hem te helpen zijn schuit te bedienen, maar het ging slecht; telkens kwam hij handen te kort. — Toen had hij op een avond dat hij door de stad liep, in een steeg een dronken bullebak van een vent en een vrouw die óok al niet nuchter was, hun kind zien mishandelen, en was hij — hij begreep nog niet waar hij den moed had vandaan gehaald — op die menschen af-