is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kreun van pijn dook zijn lichaam weer in 't roefje weg, waar hij liggen bleef, ontzet, in moeilijk gehijg. De domping van het enge hokje woog, na dat oogenblikje frissche lucht, als een verstikkende benauwing op zijn maag. Stil lag hij maar te zuchten en te hijgen en hij knierpte zijn

schrale vingers ineen en stamelde maar: „O God o

God ...

Naast hem rochelde Doris zijn prutselig slaap-geluidje.

Om half zes wekte hij den jongen, en toen deze, dadelijk heelemaal wakker, als een aap uit het roefje klauterde en boven op 't dek bedrijvig aan 't rondstommelen ging, bedacht hij, in zijn even nog liggen blijven, met toe-oogen, hoe nu gauw het oogenblik gekomen was — straks, als Doris heen zou zijn om 't paard te halen —

dat hij in de kajuit zou moeten gaan om 't haar te

zeggen dat het niet kon niet kon dat zij

bleef; dat zij weg moest voor goed wèg

O God o God zuchtte hij steeds, toch nu al

voelend hoe de bitterheid weer in hem steeg omzijn

kind, dat zijn naam had te schande gemaakt.

Hij was nu ook weer naar 't dek gegaan; hielp Doris vlug den boel schoonmaken en opredderen, alles tot de afvaart gereed.

„Lieve help, wat hebben me die snoeshanen een smeerboel gemaakt, met t'r meel," mopperde Doris, en hij plonste een aker met mooi-zwierige bocht van 't touw het water in, dat het gelig opspetterde. En terwijl hij zijn zwabber als een snorrend vliegwiel tusschen zijn