is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid, als was hij heel alleen op deze wijde, triestige aarde, van God en de menschen verlaten.

In een tuin, een kweekerij, waar gansche reeksen stonden van in stroo-mat gebakerde stamrozen, druipend van vocht, waren een paar kinderen — jongetje en meisje — aan 't spelen met een poppenwagen en een paard op wieletjes, die ze langs de slijkerige paden trokken.

Toen ze 't schip in 't oog kregen liepen ze toe, en het meisje, op den grasberm aan den kant staande, las spellend, met hoog-schel stemmetje en grappigen nadruk op ieder woord, den naam op den achtersteven: „Dé Hulp vèn

Bóven" Dan, stoeiend, begaven de kinderen zich weêr

aan hun spel.

Hij, bij het roer, lachte wrang. Dat was nog van uit

den goeden tijd dat hij zijn schuit dien naam gegeven

had den tijd dat hij zijn geluk nog had zijn

vrouw, zijn kinderen De Hulp van Boven hij

lachte er nu haast om om die hulp

Maar zijn stemming werd zachter al, vervloeide tot

alleen een weeke treurnis, omdat alles zoo was Hij

tvist wel dat hij niet klagen mocht; in alles stil moest zijn en Gods wijzen raad erkennen; — had zijn moeder hem dat

niet zóo, toen hij nog een kleine jongen was, geleerd?

Maar 't was zoo moeilijk vaak, zoo moeilijk

En hij dacht weêr aan zijn dochter, hoorde nog altijd die zachte, klaaglijk-sujende stem waarmede ze haar kindje suste en die hem óok al aan heel vroeger herinnerde, toen ze, met diezelfde stem, suste haar pop