Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het boek spreekt van zijn dood, als van het heengaan van een God. — „Hermes zag het groote geheel der dingen; na gezien te hebben, begreep hij en na begrepen te hebben, had hij de macht tot uiting en bekendmaking. Wat hij dacht, schreef hij op; van hetgeen hij opschreef, hield hij een groot deel verborgen, wijselijk zwijgend en sprekend, opdat de gansche na hem komende menschenwereld naar deze dingen zou zoeken. En zoo steeg hij naar de sterren op, na den Goden, zijn broeders, gelast te hebben, hem te begeleiden."

Men kan desnoods de politieke geschiedenis der volkeren afzonderlijk beschouwen ; maar men kan hunne godsdienstige geschiedenis niet scheiden. De Assyrische, Egyptische, Joodsche en Grieksche godsdiensten kunnen slechts dan begrepen worden, wanneer men het aanknoopingspunt met den ouden Indo-Aryschen godsdienst voelt. Afzonderlijk genomen zijn het niets dan raadselen en duisterheden; te zamen en van bovenaf gezien, is het een prachtige ontwikkelingsgang, waarin altijd het een het ander beheerscht en verklaart. Kortom, de geschiedenis van één godsdienst zal altijd bekrompen,

aarde, die niet door iets anders voortgebracht is. Tegelijk Vader, Moeder en Zoon, schept Hij, brengt Hjj alles voort en bestaat Hij m eeuwigheid en deze drie personen, verre van de eenheid der goddelijke natuur te verdeelen, werken mee tot haar oneindige volmaaktheid. Zijn hoedanigheden zijn: alomtegenwoordigheid, eeuwigheid, onafhankelijkheid, almacht, onbegrensde goedheid. „Hij schept zijn eigen ledematen, die de Goden zijn" — zeggen de oude teksten. Ieder van deze ondergeschikte goden, als gelijkvormig beschouwd aan den Eenen Grod, kan een nieuwen vorm doen ontstaan, waarvan wederom en op dezelfde wijze andere, lagere vormen uitstralen. —

Oude Geschiedenis der Oostersche volken.

Sluiten