is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was een geleidelijke opstijging van het geheele raenschelijke wezen naar de duizelingwekkende hoogten van den geest, vanwaar men het leven kan overzien. — „Om het Meesterschap te bereiken" zeiden de wijzen uit dien tijd, „heeft de mensch een geheele herschepping noodig van zijn stoffelijk, zedelijk en verstandelijk wezen. Maar deze herschepping is slechts mogelijk door gelijktijdige oefening van wil, intuïtie en rede. Door volmaakten samenklank van deze drie, kan de mensch zijn eigenschappen onberekenbaar ver ontwikkelen. De ziel heeft sluimerende vermogens, die door inwijding gewekt worden. Door diepgaande studie en onverdroten ijver kan de mensch zich bewust in verbinding stellen met de verborgen krachten in het heelal. Door verbazende inspanning kan hij tot rechtstreeksche geestelijke waarneming komen, kan hij de wegen aan gene zijde des doods voor zich openen en leeren die te betreden. Dan eerst kan hij zeggen, dat hij het lot overwonnen en van hieruit zijn goddelijke vrijheid veroverd heeft. Dan eerst kan de ingewijde inwijder, profeet en magiër, d.w.z. ziener en verlosser van zielen worden. Want alleen hij, die zich zelf beheerscht, kan anderen beheerschen; alleen hij, die zelf vrij is, kan anderen vrijmaken." —

Zoo dachten de oude Ingewijden. De grootsten onder hen leefden en handelden in overeenstemming hiermede. De ware inwijding was dus heel iets anders dan een ijdel droombeeld en veel meer dan een eenvoudige wetenschappelijke leering; het was de vorming eener ziel door

2