is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rillend van koude in een donkere grot, waar men niets anders zag dan een zachte legerstede, flauw verlicht door het vage schijnsel van een bronzen lamp, die aan het gewelf hing. Men droogde hem af, besproeide zijn lichaam met heerlijke reukwerken, trok hem fijn lijnwaad aan en liet hem alleen, met deze woorden: — „Rust en wacht den hiërofant af." —

De neofiet strekte zijn door vermoeienis uitgeputte ledematen op het weelderige kleed zijner legerstede uit. Na al de verschillende aandoeningen, genoot hij van dit oogenblik van kalmte. De gewijde schilderingen die hij gezien had, al die vreemde figuren, de sphinxen en cariatiden trokken langs zijn verbeelding voorbij. Waarom toch kwam die eene schildering hem steeds als een hallucinatie voor den geest? Hij zag voortdurend geheim X, voorgesteld door een wiel, dat op een as tusschen twee zuilen hing. Aan den eenen kant stijgt Hermanubis, een schoon e jongeling, de genius van het Goede, naar omhoog; aan de andere zijde stort Typho, de genius van het Kwaad met het hoofd naar beneden in den afgrond. Tusschen deze twee in zit op het hoogste punt van het wiel een sphinx met een degen in haar klauwen. Een licht ruischen van hartstochtelijke muziek, die uit het diepst der grot scheen te komen, deed dit beeld verdwijnen. Zachte, onverklaarbare klanken, vol droef, onbestemd verlangen. Klokketonen kwamen zijn oor streelen, tezamen met de sidderende tonen eener harp, waaraan héél hooge tonen ontlokt werden, hijgende zuchten als een heesche adem. Door een vurig droombeeld om-