is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was minder gevaarlijk dan de hartstochten die nog zijn lichaam verteerden; het kille, donkere water waarin hij zich had moeten dompelen, was minder koud dan de twijfel, waarin zijn geest in de uren van angst dieper en dieper wegzonk en ten onderging.

In een der zalen van den Tempel volgden dezelfde gewijde schilderingen in twee lange rijen elkander op, die men hem in den grafkelder gedurende den proefnacht had uitgelegd en die de twee en twintig geheimen voorstelden. Deze geheimen die men even op den drempel der occulte kennis liet zien, vormden de steunpilaren zelf der godgeleerdheid; maar om ze te begrijpen moest men de geheele inwijding doorgemaakt hebben. Sedert had geen der meesters hem er weder over gesproken. Men stond hem alleen toe in die zaal op en neer te gaan en de teekens te overpeinzen. Hij bracht er lange, eenzame uren door. Door deze figuren, rein als het licht, ernstig als de Eeuwigheid, drong de onzichtbare, ontastbare waarheid langzaam het hart van den neofiet binnen. In het rustige gezelschap dezer zwijgende, naamlooze Godheden, waarvan ieder een bepaalde sfeer van het leven scheen te beheerschen, begon hij een nieuwe gewaarwording te ondervinden: eerst een nederdaling tot in het diepst van zijn wezen, daarop een soort losmaking van de wereld, die hem in staat stelde zich boven de dingen te verheffen. Soms vroeg hij aan een der wijzen: - „Zal het mij ooit vergund zijn den geur der roos van Isis in te ademen en het licht van Osiris te zien ?" — Men antwoordde hem: — „Dat hangt niet van ons af. De