is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zie, zeide Hermes, de zeven sferen, die de zichtbare en onzichtbare wereld omsluiten; ik zie de zeven stralen van het Licht-Woord, van den eenigen God, die ze doordringt en door middel van die zeven stralen bestuurt. Maar, o Meester, hoe wordt de reis der menschen door al deze werelden volbracht?

Osiris sprak: - Ziet gij die lichtende kiem uit de streek van den Melkweg in de zevende sfeer vallen ? Het zijn de kiemen der zielen. Zij leven als lichte dampen in de sfeer van Saturnus, gelukkig, onbezorgd onbewust van haar geluk. Maar van sfeer tot sfeer vallend, kleedden zij zich in steeds dichter wordende omhulsels. In iedere belichaming verkrijgen zij een nieuw lichamelijk zintuig, overeenkomstig de omgeving waarin zij zich ophouden. Haar levenskracht neemt toe; doch naarmate zij in grovere lichamen treden verhezen zij de herinnering aan haar hemelschen oor' sprong. Zoo wordt de nederdaling der zielen, afkomstig uit den goddelijken Ether, volbracht. Meer en meer gevangen in de stof, meer en meer bedwelmd door iet leven, storten zij zich als een regen van vuur trillend van hartstocht, door de gebieden van Smart,' Liefde en Dood, tot in haar aardsche gevangenis' waarin gij zelf zucht, vastgehouden door het vurig middelpunt der aarde en waar het goddelijk leven u slechts een ijdele droom toeschijnt.

— Kunnen de zielen sterven? vroeg Hermes.

- Ja, antwoordde de stem van Osiris, vele komen om in de noodlottige nederdaling. De ziel is een dochter des hemels en haar reis is een proef. Als zij in