is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In dezen heerlijken zoelen nacht beschouwde de zoon van Parthenis beurtelings de aarde, den tempel en den sterrenhemel. — Zij was daar onder hem, om hem heen, Demeter, de moeder-aarde, de Natuur die hij wilde doorgronden. Hij ademde haar krachtige uitstralingen in, hij gevoelde de onoverwinnelijke aantrekkingskracht die hem, denkend atoom, als een onscheidbaar deeltje van haarzelf aan haar verbond. De wijzen die hij geraadpleegd had, hadden hem gezegd : — „Uit haar komt alles voort. Niets komt uit niets. De ziel ontstaat uit water of uit vuur, of uit deze twee samen. IJl uitvloeisel der elementen, maakt zij zich van hen los om weder tot hen terug te keeren. De eeuwige Natuur werkt blindelings en onverbiddelijk. Schik u in haar onvermijdelijke wet. Uw eenige verdienste zal zijn, haar te leeren kennen en u aan haar te onderwerpen." —

Daarop beschouwde hij het uitspansel en de vurige letters, die de sterrenbeelden in de peillooze diepte der ruimte beschreven. Die letters moesten een beteekenis hebben. Want indien het oneindig kleine, de beweging der atomen, reden van bestaan heeft, hoe zou dan het oneindig groote, de verspreiding der sterren, wier rangschikking het lichaam van het heelal uitmaakt, dien niet hebben ? Ja ! zeker, ieder van deze werelden heeft haar eigen wet en alle te zamen worden door een bepaald Getal en in hoogste harmonie voortbewogen. Maar wie zal ooit het aip'nabet deisterren ontcijferen ? De priesters van Juno hadden hem gezegd: — „Daar is de hemel der Goden, die