is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derden de Amphyctionen; d&ar hadden alle Helleensche volken rondom het heiligdom kapellen opgericht, die kostbare offeranden bevatten. Lange processies mannen, vrouwen en kinderen kwamen van verre daarheen en beklommen den heiligen weg om den God van het Licht te begroeten. Sedert onheuglijke tijden had de eeredienst Delphi gewijd tot een plaats van heilige aanbidding der volkeren. Haar centrale ligging in Hellas op de rotsen, beveiligd tegen overrompelingen en gemakkelijk te verdedigen, had daartoe veel bijgedragen. Het was een uitgezochte plaats om op de verbeelding te werken; een kleine bijzonderheid was oorzaak van haar groote, tot vereering dwingende macht. In een spelonk achter den tempel bevond zich een spleet, waaruit koude dampen opstegen die, naar men zeide, goddellijke bezieling en zinsverrukking opwekten. Plutarchus vertelt, dat eens in overoude tijden een herder, die zich op den rand dezer opening had nedergezet, begon te voorspellen. Eerst verklaarde men hem voor gek, maar toen zijn voorspellingen uitgekomen waren, werd men op het feit opmerkzaam. Priesters namen de plaats in bezit en wijdden ze aan de Godheid. Vandaar de instelling der Pythia die men boven de spleet op een drievoet liet plaatsnemen. De dampen, die uit de holte opstegen, veroorzaakten bij haar krampachtige trekkingen en zonderlinge toevallen en wekten in haar het zoogenaamde tweede gezicht op, dat men bij bijzondere somnabules waarneemt. Aeschyles wiens verklaringen waarde hebben, daar hij de zoon was van een priester uit Eleusis en zelf