is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door het bloed van het monster, heeft hij geboet, heeft hij zichzelf gelouterd in een achtjarige ballingschap, in de prikkelende gezonde lucht der laurierboomen van het Tempedal. — Apollo, de opvoeder dei menschen, verblijft gaarne in hun midden; het bevalt hem goed in de steden onder de flinke jongelingschap, te midden van wedstrijden voor dicht- en worstelkunst, maar hij houdt er slechts tijdelijk verblijf. In den herfst keert hij naar zijn vaderland, het land der Hyperboreërs, terug. Paar wonen de geheimzinnige menschen met hunne lichtgevende, doorschijnende zielen, die in den eeuwigen dageraad van volmaakt geluk leven. Daar vertoeven zijn ware priesters en geliefde priesteressen. Hij leeft met hen allen in innige, diepe gemeenschap en wanneer hij de menschheid een vorstelijk geschenk geven wil, brengt hij uit het land der Hyperboreërs een dezer verheven stralende zielen mede en laat haar op aarde geboren worden, ten einde de stervelingen te ■ leeren en in verrukking te brengen. Bij het aanbreken der lente, zoodra men de lofzangen te zijner eer aanheft, keert hij naar Delphi terug. Hij verschijnt, slechts zichtbaar voor de Ingewijden, stralend van Hyperboreesche blankheid, gezeten op een wagen door zingende zwanen getrokken. Hij komt weer het heiligdom bewonen, waar de Pythia zijn godspraken verkondigt en waar wijzen en dichters heentrekken om naar haar te luisteren. Dan zingen de nachtegalen, dan klatert het zilverheldere water der Castalische bron en golven verblindend licht en hemelsche muziek dringen in de harten der