is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te nemen, waardoor zij teweeg gebracht werden. De natuurkundigen der zeventiende en achttiende eeuw, die het heelal als een levenlooze machine opvatten, geloofden aan een volkomen ledig der hemelruimte. Toen men evenwel inzag dat licht niet uitgezonden wordt door een stralende stof, doch de trilling is van een onweegbaar element, moest men aannemen dat de geheele ruimte gevuld is met een uiterst fijne fluide, die alle lichamen doordringt en waardoor zich de lichten warmtegolven voortplanten. Zoo keerde men tot de Grieksche denkbeelden der natuurkunde en theosophie terug. Newton die zijn geheele leven besteedde aan het bestudeeren van de beweging der hemellichamen, ging verder. Hij noemde dien ether sensorium Bei of gedacliteorgaan van God, d. w. z. het werktuig, waardoor de goddelijke gedachte handelt zoowel in het oneindig groote als in het oneindig kleine. Door dit denkbeeld te uiten, dat hem onmisbaar toescheen voor de verklaring van de omwenteling der hemellichamen, bewoog de groote natuurkundige zich midden in de esoterische wysbegeerte. Den ether, dien Newton's denken in de ruimte ontdekte, had Paracelsus op den bodem van zijn distilleermachines gevonden en astraal licht genoemd. — Deze onweegbare, alomtegenwoordige fluide die alles doordringt, deze ijle, onmisbare kracht, dit licht, onzichtbaar voor onze oogen, maar dat toch de kern uitmaakt van alle flikkeringen en alle lichtuitstralmgen, werd door een Duitschen natuurkundige in een reeks wetenschappelijk geordende proeven aangetoond. Reichenbach had