is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geest van een nieuwen Hoorder in te prenten, toonde men hem een vrouwenbeeld in een langen sluier gehuld, die den vinger op den mond hield, de Muze der Stilzwijgendheid.

Pythagoras geloofde niet, dat de jeugd in staat was den oorsprong en het einde der dingen te begrijpen. Hij meende, dat haar te oefenen in redekunst en betoogingen, vóór haar de beteekenis der waarheid gegeven te hebben, slechts leeghoofden en verwaande sophisten vormde. Hij was er steeds mede bezig vóór alles in zijn leerlingen het oorspronkelijke en hoogste vermogen van den mensch te ontwikkelen: - intuïtie. En daarom onderwees hij geen geheimzinnige of moeilijke dingen. Hij ging uit van de natuurlijke gevoelens, van de eerste plichten van den mensch bij zijn intrede in het leven en toonde hun verband met de universeele wetten. Daar hij in de allereerste plaats aan de jongelieden liefde voor hun ouders inprentte, verwijdde hij dit gevoel door het denkbeeld van Vader met dat van God^ den verheven Schepper van het heelal, te vergelijken. — „Er is niets eerwaardigers, sprak hij, dan het vaderschap. Homerus heeft Jupiter den koning der Goden genoemd, doch om hem in al zijn verhevenheid te schetsen, heeft hij hem den naam gegeven van Vader van Goden en menschen." — Hij vergeleek de moeder met de milde, weldoende natuur; evenals de hemelsche Cybele de sterren voortbrengt, evenals Demeter de vruchten en bloemen der aarde uoet ontstaan, zoo omringt de moeder haar kind met alle vreugden. De zoon moest dus in zijn vader en moeder