is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«le vertegenwoordigers, de aardsche afbeeldingen van deze machtige Godheden eeren. Hij toonde ook aan, dat de liefde die men voor zijn vaderland koestert' voortspruit uit de liefde die men in zijn jeugd voor zijn moeder gevoeld heeft. Onze ouders worden ons gegeven, niet door het toeval, zooals de groote menigte gelooft, maar door een voorafgaand hooger bevel, lot of noodzakelijkheid genoemd. Hen moet men eeren; zijn vrienden daarentegen kan men kiezen. Men spoorde de neofieten aan, twee aan twee overeenkomstig hun geaardheid vriendschap te sluiten. De jongste moest in den oudste de deugden zoeken, waar hij zelf naar streefde en de twee makkers moesten elkander tot een beter leven opwekken. - „Een vriend is een ander Ik. Men moet hem als een God eeren," zeide de Meester. Al legde een der bepalingen der Pythagoreesche Orde den leerling-hoorder absolute gehoorzaamheid op jegens zijn meesters, zoo gaf zij hem toch volle vrijheid om te genieten van vriendschappelijken omgang; vriendschap werd zelfs beschouwd als de drijfkracht tot het bereiken van alle deugden, als de poëzie des levens en de weg tot het nabijkomen van het ideaal.

Zoo werd de individueele geestkracht wakker geroepen, de zedeleer werd vol leven en poësie, de met liefde aanvaarde voorschriften hielden op dwang te zijn en versterkten de individualiteit. Pythagoras wilde dat in gehoorzaamheid door allen vrijwillig toegestemd werd. Daarenboven diende het zedelijk onderricht als voorbereiding tot het wijsgeerig onderricht. Want het verband, dat men trok tusschen de sociale plichten