Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en gaan wij over van het uiterlijk der dingen naar het innerlijk, van de keerzijde der wereld naar haar werkelijk aanzicht.

Zóó tenminste ging Pythagoras te werk, die het heelal als een levend wezen beschouwde in het bezit van een verheven ziel en een machtigen geest. Het tweede gedeelte van zijn onderricht begon dus met de cosmogonie.

Slechts afgaande op de indeeling van den hemel, die men in de exoterische geschriften der Pythagoreërs aantreft, zou deze astronomie veel gelijken op de astronomie van Ptolemaeus, die de aarde als onbeweeglijk voorstelde, terwijl de zon, de planeten en alle hemellichamen om haar heen draaiden. Doch het eerste beginsel van de sterrenkunde van Pythagoras wijster op, dat zij geheel en al symbolisch opgevat moet worden. In het middelpunt van zijn heelal plaatst hij het Vuur (waarvan de zon slechts een weerkaatsing is). Immers in de geheele esoterische leer van het Oosten staat het Vuur als beeld van den Geest, van het goddelijk, universeel Bewustzijn. Wat onze wijsgeeren in het algemeen voor de natuurkunde van Pythagoras en Plato houden is dus niets anders dan een zinnebeeldige omschrijving van hun geheime wijsbegeerte, stralend van licht voor de Ingewijden, maar des te ondoorgrondelijker voor de groote menigte, daar men ze voor gewone natuurkunde liet doorgaan. Laten wij er dus een beschrijving van het heelal in trachten te vinden, waar het leven der zielen zich afspeelt en niets anders. Het ondermaansche gebied duidt de sfeer aan, waar de aardsche aantrekkingskracht zich doet gevoelen en

Sluiten