is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den Vader; d.w.z. zij zijn zoowel de uitkomst van een geestelijk, onveranderlijk, verheven bevel, als van een vroegere, stoffelijke ontwikkeling, ik bedoel van een uitgedoofd zonnestelsel. Enkele van deze onzichtbare machten, de volkomen onvergankelijke, besturen de vorming dezer wereld, terwijl de andere, in cosmischen slaap of in goddelijke droomen verzonken, de ontwikkeling dezer wereld afwachten, teneinde volgens de eeuwige wet haar plaats in de zichtbare schepping weder in te nemen. Ondertusschen werkt de zonneziel en haar centraalvuur, die rechtstreeks door de verheven Monade bezield worden, in op de weeke stof. De planeten zijn kinderen der zon. Ieder van haar, bestuurd door de krachten van aantrekking en omwenteling eigen aan de stof, bezit een half-bewuste ziel, ontsproten aan de zonneziel en heeft haar bepaald karakter, haar eigen rol in de evolutie. Daar iedere planeet een verschillende uitdrukking is van de goddelijke gedachte, daar zij een bepaalde werkzaamheid in de planeetketen vervult, hebben de oude wijzen de namen der planeten vereenzelvigd met die der groote Goden, die de goddelijke vermogens, in het heelal in werking, voorstellen.

De vier elementen, waaruit de hemellichamen en alle wezens gevormd zijn, duiden vier toestanden van stof in verschillende graden van fijnheid aan. Het eerste, het dichtste en grofste, is het meest onontvankelijk voor den geest; het laatste en fijnste daarentegen toont een groote ontvankelijkheid ervoor. Aarde stelt den vasten toestand voor; water den vloeibaren; lucht