is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschelijk lichaam was toen eenigszins dampvormig, zijn leven in de stof licht en gemakkelijk. Zijn vermogens voor rechtstreeksche, geestelijke waarneming zouden in deze eerste phase van het mensch-zijn zeer krachtig en fijn geweest zijn; rede en verstand daarentegen waren slechts in kiemtoestand aanwezig. In dezen half-stoffelijken, half-geestelijken toestand kon de mensch de geesten waarnemen; alles was pracht en verrukking voor zijn oogen, melodie voor zijn ooren. Hij hoorde zelfs de harmonie der sferen. Maar hij dacht niet na en zijn wil was nauwelijks ontwikkeld. Hij liet zich voortleven, terwijl hij volop genoot van klanken, vormen en licht en als in een droom voortzweefde van leven naar dood, van dood naar leven. Dit noemden de volgelingen van Orpheus den hemel van Satumus. Eerst na zich op steeds dichter wordende planeten geincarneerd te hebben, heeft de mensch zich volgens de leer van Hermes meer en meer verstoffelijkt. Door haar belichaming in grovere stof heeft de menschheid haar geestelijk zintuig verloren, maar door haar steeds heviger strijd met de uiterlijke wereld heeft zij rede, verstand en wil tot aanzienlijke hoogte ontwikkeld.

De aarde is de laagste trap van die nederdaling in de stof, die door Mozes de verdrijving uit het Paradijs, door Orpheus de val in de ondermaansche sfeer genoemd wordt. Vandaar uit kan de mensch met groote moeite door een reeks nieuwe bestaanstoestanden den opwaartschen kringloop aanvangen en zijn geestelijke zintuigen terugkrijgen door de vrije uitoefening van zijn hooger verstand en wil. Dan eerst, zeggen de leerlingen van