is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mate zij zich ontwikkelt, voelt zij een vaag licht in zich groeien, iets onzichtbaars en onstoffelijks, dat zij haar geest, haar bewustzijn noemt. Ja, de mensch heeft het aangeboren gevoel van zijn drievoudige natuur, daar hij zelfs instinctmatig in zijn taal onderscheid maakt tusschen lichaam en ziel en ziel en geest. Maar de geboeide, gefolterde ziel verweert zich tusschen haar twee metgezellen, als tusschen den greep van een slang met vele kronkelingen en een on zichtbaren beschermgeest, die haar roept, doch wiens tegenwoordigheid slechts waargenomen wordt door het geklapwiek zijner vleugels en vluchtige lichtschijnsels. Soms neemt het lichaam haar zoo geheel in beslag, dat zij slechts door zijn gewaarwordingen en hartstochten leeft; met hem mengt zij zich in bloedige tooneelen, door woede veroorzaakt, of geeft zich over aan de doffe bedwelming der zinnelijke hartstochten; totdat zij van zichzelf schrikt door het diepe stilzwijgen van den onzichtbaren makker. Dan weer door hem aangetrokken, stijgt zij op tot zulk een verheven hoogte van denken, dat zij het lichaam vergeet, totdat dit op krachtige wijze zijn tegenwoordigheid kenbaar maakt. En toch zegt een innerlijke stem haar, dat tusschen haar en den onzichtbaren bewoner een onverbreekbare band bestaat, terwijl de dood haar verbinding met het lichaam zal verbreken. Doch tusschen beide geslingerd in eeuwigen strijd, zoekt de ziel tevergeefs naar geluk en waarheid. Tevergeefs zoekt zij zichzelf in haar gewaarwordingen die voorbijgaan, in haar gedachten die wegviieden, in de wereld die