is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is een etherisch dubbelivezen van het lichaam, waarin een onsterfelijke geest woont. De geest bouwt en weeft door eigen werkzaamheid zijn geestelijk lichaam om zich heen. Pythagoras noemt dit het ijle voertuig der ziel bestemd om de ziel na den dood van de aarde op te heffen.

Dit geestelijk lichaam is het orgaan van den geest, zijn gevoelend omhulsel, zijn werktuig tot wilsuiting en dient tot bezieling van het lichaam, dat anders werkeloos zou blijven. Dit dubbelwezen wordt soms zichtbaar in verschijningen van stervenden of dooden, doch wijst altijd op een bijzonderen zenuwtoestand bij de persoon, die iets dergelijks waarneemt. De fijnheid, kracht en volkomenheid van het geestelijk lichaam verschillen overeenkomstig de hoedanigheden van den geest, dien het bevat en er bestaan tusschen het wezen der zielen, vervat in het astrale licht, maar doordrongen van de onweegbare fluiden van hemel en aarde, talrijker schakeeringen en grooter verscheidenheid dan tusschen alle stoffelijke lichamen en alle toestanden van weegbare stof. Dit astraal lichaam, hoewel veel ijler en volmaakter dan het stoffelijk lichaam, is niet onsterfelijk gelijk de Monade, die het bevat. Het verandert en loutert zich volgens de omgeving, waarin het zich bevindt. De geest vormt en vervormt het eeuwig naar zijn beeld, doch veriaat het nooit en als hij er zich geleidelijk van ontdoet, is dit alleen om zich met ijlere zelfstandigheden te omhullen. Dit leerde Pythagoras, die zich geen abstracte, geestelijke entiteit, geen vormlooze Monade denken