Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rie. Hij heeft geen armen meer om zich vast te grijpen, geen stem om te roepen, maar hij herinnert zich, hij lijdt, hij voelt zich omgeven door duisternis en ontzetting. Het eenige wat hij ziet, is de tegenwoordigheid van het lijk, waarvan hij losgemaakt is, doch waartoe hij zich nog op onweerstaanbare wijze aangetrokken gevoelt. Want door dat lichaam leefde hij en wat is hij nu ? Angstig zoekt hij zichzelf in de verstijfde zenuwen van zijn hoofd, in het gestolde bloed in zijn aderen en vindt zichzelf niet meer. Is hij dood of levend ? Hij zou willen zien, zich aan iets willen vastklemmen, maar hij ziet niets, grijpt niets. Duisternis houdt hem gevangen; om hem en in hem heerscht slechts verwarring. Hij ziet maar één ding en dat ding trekt hem tegelijkertijd aan en boezemt hem afkeer in - het sombere schijnsel van zijn eigen stoffelijk overschot dan begint de nachtmerrie opnieuw.

Deze toestand kan maanden en zelfs jaren voortduren. Zijn duur hangt af van de kracht der stoffelijke aandriften der ziel. Doch, goed of slecht, verdorven of verheven, langzamerhand zal de ziel bewust worden van zichzelf en haar nieuwen toestand. Eenmaal van haar lichaam bevrijd, zal zij wegvlieden in den maalstroom der aardsche atmosfeer, heen en weer geslingerd door de electrische stroomingen, terwijl zij de groote verscheidenheid van ronddolende wezens, alle min of meer aan haar gelijk, als vluchtige lichtschijnsels te midden van een dichten nevel begint waar te nemen. Dan vangt een duizelingwekkende, felle strijd aan van de nog trage ziel om naar de hoogere

Sluiten