Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geesten aanschouwen, levende stralen van den God der uoden en zij zal hun verblindende pracht, die zonnen als door rook verduisterd licht doet verbleeken, niet kunnen verdragen. En wanneer zij verbijsterd van deze schitterende reizen terugkeert,... trillend van ontroering bij het zien van deze onmetelijkheid ... zal zij van verre de ïoepstem der geliefden vernemen en terugvallen op de gulden stranden van haar ster, omhuld door den rosen sluier van een zoeten slaap vol lichtende figuren, welriekende geuren en heerlijke melodie.

Zóó is het hemelsche leven der ziel; een leven dat onze door aardsche indrukken traag geworden geest nauwelijks beseffen kan, maar dat de Ingewijden 'loorgronden, d e helderzienden doorleven en dat door de wet der universeele analogieën aangetoond wordt. Tevergeefs trachten wij het in onze grove beelden, in onze onvolmaakte taal weer te geven, maar iedere levende ziel gevoelt de kiem ervan diep in zich verborgen. En al is het onmogelijk op ons tegenwoordig standpunt het ons werkelijk voor te stellen, zoo zet de occulte wijsbegeerte toch duidelijk de psychische toestanden er van uiteen. Het begrip van zulke etherische, voor ons onzichtbare sterren, maar die deel uitmaken van ons zonnestelsel en tot verblijf strekken aan de gelukzalige zielen, wordt vaak aangetroffen in de verborgenheden der esoterische overlevering. Pythagoras noemt dit een tegenhanger der aarde: de antichlotie, beschenen door het centraal Vuur, d.w.z. door het goddelijk licht.

Aan het slot van Phaedo beschrijft Plato dezegees-

Sluiten