is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In Pythagoras zien wij dus een Adept van den eersten graad en wel een met een wetenschappelijken en wijsgeerigen aard, die het meest den modernen tijdgeest nabijkomt. Maar hijzelf kon geen volmaakte adepten van zijn leerlingen maken en maakte daar ook geen aanspraak op. Aan het begin van een groot tijdperk staat altijd een machtig, bezielend wezen. Zijn leerlingen en de leerlingen van die leerlingen vormen de keten, waar de magnetische stroom doorheengaat en verspreiden zijn gedachten over de wereld.

Op den vierden trap der inwijding leerde Pythagoras zijn getrouwen dus slechts de toepassingen van zijn leer op het leven. Want de Epiphanie, het gezicht van boven af, gaf een diep, met nieuw leven bezield inzicht in alle aardsche dingen.

De oorsprong van Goed en Kwaad blijft een ondoorgrondelijk raadsel voor hem, die zich geen rekenschap gegeven heeft van den oorsprong en het einde der

men er den gouverneur mede in kennis. Zondagmorgen werd Swedenborg bij dezen ambtenaar ontboden, die hem dienaangaande ondervroeg. Swedenborg gaf een nauwkeurige beschrijving van den brand, zijn begin, einde en duur. Denzelfden dag verspreidde het bericht zich door de geheele stad, die er te meer belang in stelde, daar de gouverneur er zijn aandacht aan gewijd had en daar vele menschen in zorg verkeerden omtrent hun goederen en hun vrienden. Maandagavond kwam te Gothenburg een bode aan, dien de voornaamste kooplieden te Stockholm gedurende den brand hadden afgezonden. In de brieven die hij medebracht, werd de brand juist op bovengenoemde wijze beschreven. Wat kan men tegen de echtheid van deze gebeurtenis aanvoeren? De vriend die mij schrijft, heeft alles niet alleen in Stockholm, maar ook twee maanden geleden in Gothenburg zelf onderzocht; hij kent er de aanzienlijkste families en heeft zich volledige inlichtingen kunnen verschaffen door de geheele stad, waar nog de meeste ooggetuigen in leven zijn, aangezien er slechts negen jaren sedert het jaar 1759 verloopen zijn." — Brief aan Mejuffrouw Charlotte von Knoblch, aangehaald in Matter's werk „Leven van Swedenborg."