is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dingen. Een zedeleer, die de hoogste levensbestemming van den mensch niet naspeurt, zal onvolmaakt en slechts van practisch nut zijn. Bovendien bestaat de menschelijke vrije wil niet als een werkelijkheid voor hen, die zich altijd de slaven weten van hun hartstochten en hij heeft geen recht van bestaan voor hen, die noch aan de ziel, noch aan God gelooven en voor wie het leven slechts een bliksemstraal is tusschen twee toestanden van Niet-Zijn. De eersten leven in slaafsche onderwerping aan de ziel, die aan de hartstochten gebonden is; de anderen in dienstbaarheid aan het verstand, beperkt tot de stoffelijke wereld. Doch hoe geheel anders is het voor den godsdienstigen mensch, voor den waren wijsgeer en vooral voor den ingewijden theosoof, die de waarheid werkelijk voelt in de drievoudigheid van zijn wezen en de eenheid van zijn wil. — Ten einde den oorsprong van goed en kwaad te begrijpen, beschouwt de Ingewijde de drie werelden met het oog van den geest. Hij ziet de duistere wereld van de stof en den dierlijken aard, beheerscht door het onverbiddelijke Noodlot. — Hij ziet de lichtende wereld van den Geest, die voor ons de onzichtbare wereld is, de oneindige hiërarchie der vrijgeworden zielen, bestuurd door de goddelijke wet en die zelf de Voorzienigheid in activiteit uitmaken. — Tusschen deze beide werelden in ziet hij de menschheid, half in het licht, half in schaduw, met den voet vastgeworteld in de wereld der natuurrijken, met den top rakend aan de goddelijke wereld. De beschermgeest -der menschheid is: de Vrije Wil. Want zoodra de

13