Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch bewust wordt van Waarheid en Dwaling, heeft hij de vrije keuze: zich te voegen bij de Voorzienigheid door de waarheid na te komen of zich te onderwerpen aan de wet van het noodlot door de dwaling te volgen. De wilsuiting vereenigd met de werking van het verstand is als een ondeelbaar punt, maar uit dat punt ontspringt het geestelijk heelal.

Ieder wezen voelt gedeeltelijk instinctmatig, wat de theosoof zuiver met het intellect vat, namelijk : dat het Kwade datgene is wat den mensch tot de noodlottige stof doet afdalen en het Goede datgene wat hem naar de goddelijke wet van den Geest doet opstijgen. Zijn ware bestemming is: zich door eigen kracht steeds hooger op te heffen. Maar daarom moet hij ook vrij zijn om tot het laagste af te dalen. De kring van den vrijen wil verwijdt zich tot het oneindig groote, naarmate men stijgt; hij krimpt in tot het oneindig kleine, naarmate men daalt. Hoe hooger men zich verheft, hoe vrijer men wordt, want deste meer treedt men in het licht en verkrijgt men kracht voor het Goede. Hoe lager men daalt, deste meer wordt men gebonden. Want met iederen val tot het Kwade vermindert het vermogen om de Waarheid te begrijpen en het Goede na te komen. Het Noodlot beheerscht dus het Verleden, de vrije Wil de Toekomst en de Voorzienigheid beide, d.w.z. het altijd bestaande Heden, dat men de Eeuwigheid zou kunnen noemen.

'JDit denkbeeld vloeit van zelf voort uit de menschelijke en goddelijke drievoudigheid, uit de drieëenheid van den microcosmos en den macrocosmos, die wy in de voorgaande hoofdstukken

Sluiten