is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit: „Laat men dan tenminste Pythagoras en de Pythagoreërs toestaan, zich voor onze tribune te komen rechtvaardigen, voordat wij hen veroordeelen." — Maar Cylon antwoordde trotsch: „Hebben die Pythagoreërs u niet het recht ontnomen over openbare aangelegenheden te oordeelen en te beslissen? Met welk recht zouden zij thans eischen, dat men naar hen luisterde? Zij hebben u niet geraadpleegd, toen zij u van het recht beroofden de rechtspleging uit te oefenen ; welnu, de beurt is aan u! Sla toe, zonder hen aan te hooren!" — Donderende toejuichingen volgden op deze heftige uitvallen en de gemoederen wonden zich hoe langer hoe meer op.

Op een avond dat veertig voornaamste leden der Orde bij Milo te zamen waren gekomen, hitste de tribuun zijn volgelingen op. Het huis werd omsingeld. De Pythagorëers, die den Meester in hun midden hadden, versperden de deuren. De woedende menigte stak het huis in brand en weldra sloegen de vlammen aan alle zijden uit het gebouw. Acht en dertig Pythagoreërs, de beste leerlingen van den Meester, de bloem der Orde en Pythagoras zelf kwamen om, sommige vonden den dood in de vlammen, andere werden door het volk omgebracht.!)

') Zoo luidt de lezing van Dioger.es Laërtius over den dood van Pythagoras. — Volgens Dicearchus, door Porpliyrius aangehaald, zou de Meester met Archippus en Lvsis aan den moord ontkomen zijn. Doch hij zou van stad tot stad gezworven hebben tot aan Metapontum, waar hy zich in den tempel der Muzen van honger zou hebben laten omkomen. De bewoners van Metapontum daarentegen beweerden, dat de door hen opgenomen wijsgeer in vrede in hun stad gestorven was. Later toon-