Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

water liet sijpelen met zacht klinkend geklik in den grijzen steenen bak, waaruit stukken waren gebroken. Het was de stille tiktak van het vergaan, een klokslag van tijd en eeuwigheid, een wegbrokkelen der dingen, langzaam maar onverbiddelijk. Gras en mos groeiden tusschen de steenen en bloemen bloeiden rood rondom het kalme water. Enkele bloemblaadjes waren gevallen en er stonden nog versche knoppen te wachten om open te gaan. Een druiventak klom op tot boven de gaanderij. Hij groende frisch in het brokkelende huis.

Ik klopte met mijn stok op den grond.

Er verscheen een oude man.

Aan wie behoort dit huis?

Aan den markies

Zeker een oud geslacht.

Ja hier hebben sinds eeuwen de voorouders van den markies gewoond, maar zijn geslacht is nog ouder.

Waar is de markies?

Hij leeft altijd in Madrid. Ik ben zijn rentmeester.

In de straten van Toledo groeit het gras en groent het mos. Rijtuigen gaan er zelden door, en alléén door enkele. De keien zijn er spits en hobbelig is de weg, met kuilen. De keien verslijten niet, want zij worden slechts zelden door de pantoffels der vrouwen betreden en niet hard stappen de Spaansche mannen. De ezels treden voorzichtig en zacht naast de spitse kanten en men hoort ze niet, zij gaan als op fluweel, zij gaan vooral in Toledo zoo stil en bedachtzaam.

De straten klimmen stijl, gaan berg op, berg af.

Sluiten