Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ben er niet slechter aan toe dan een getrouwd man.

Dikwijls ging hij wandelen langs de Seine; daar snuffelde hij in de kistjes der boekverkoopers en hij zag veel anderen, die deden als hij en die zoo wat dezelfde existentie leidden dan hij; menschen die toch nog veel eenzamer leefden als hij. Hij had nog zijn bureau. Veel van die menschen deden niets, leefden sober, spraken nooit met een ander mensch, deden iederen dag hetzelfde. Niemand kende hen. De concierge van hun huis wist nauwelijks, hoe zij heetten. Velen van hen hadden misschien ook in het actieve leven geleefd, in de provincie waren zij misschien president van kiesvereeningen geweest. Zij hadden zich nu teruggetrokken. Zij waren de wereldsche monnikken en meer nog leefden zij eenzaam dan hij.

Somtijds ging hij voor een winkel staan om gravures

en platen te bekijken.

Om wat meer menschen te zien besloot hij nu zich bij eene table d'hote aan te sluiten of nu en dan met buren aan tafel te praten en zie, in die dagen ontmoette hij juist een mijnheer, dien hij kende. Gedurende een jaar hadden zij samen naast elkander in een restauratie gegeten, elkander waarschuwend voor de slechte porties en de goede aanbevelend. Zij leenden elkaar de courant, zij namen beide ijzerpillen en spraken over de uitwerking en over de mogelijke diplomatische alliancies van Frankrijk. Zij gaven elkaar de hand buitengekomen en draaiden dan elkaar den rug toe.

Zoo mijnheer Martinet!

Sluiten