Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Israels, na de Haagsche Academie verlaten te hebben, begonnen is met godsdienstige onderwerpen te schilderen. Zoo zag ik nog van hem hangende in de billartkamer in het ouderlijk huis eene merkwaardige schets, het portret namelijk van een jansenistisch priester in vol ornaat, wit en goud, reeds knap gedaan en streng uitgevoerd. Doch de priester, achterdochtig en angstvallig, weigerde op een goeden dag te poseeren en wilde, dat alleen het kleed zonder zijn persoon werd afgebeeld. Daarmeê verviel de hoogste aantrekkelijkheid van het model en van de priesters wendde Israels zich tot de soldaten, met welke sujetten hij zijne reputatie vestigde.

Het is niet waarschijnlijk, dat hij ooit een waardiger en meer geëigend sujet voor zijne schilderkunst zal vinden dan de hoofdstad met hare rijke en stemmige tinten, de stad, die hij getoond heeft zoo volkomen gewaardeerd en begrepen te hebben. Hij heeft die stad meegemaakt op elk uur van den dag, bij het waaien van den wind uit alle hoeken, bij sneeuw en het lichten der gevels in de avondzon, bij het kleerenkloppen der lachende dienstmeiden, bij den langzaam sijpelenden regen op het glimmend asphalt van de Kalverstraat, bij alle weêr en bij maan- en zonneschijn. En wanneer men eenmaal heeft

gevonden moet men niet verder zoeken. Of vergis ik mij ?

* *

*

Zoo vormt deze schilder met\Vitsen,Breitner en Karsen een viermanschap, waarop ons land trotsch mag zijn.

Sluiten