Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het lijkt wel, of de auteur in het begin van zijn Sardanapale zichzelf heeft geteekend.

„Me plier aux formes de la vie, peut-être y suis-je impuissant! Pour m'adapter a une ambiance pour me faire béte d'un troupeau pour devenir un personnage considéré de ses contemporains je ne saurais renoncer mon idéal. Que d'autres paraissent: moi je suis!

Des passants me frólent; quelques uns me parient et je leur réponds. Mais je suis loin deux. Je \is hors du temps. Je suisun étranger danstoutes les patries. j'aurais pu assigner a mon existence un but unique et 1'atteindre

Parmi les souvenirs dont je suis opulent il en est un que je veux conter. Je fus un jour un roi lassé,

cruel et triste."

En dan krijgen we die werkelijk bovenmenschelijke conceptie van „Sardanapale", in wiens sombere oogen meren van onverschilligheid schijnen te zwemmen, maar wiens ziel een zoo diep bewogen afgrond is, dat zij door een anderen mensch nauwelijks kan worden vermoed.

Vergeefs zoekt Sardanapale naar bevrediging. Jona aanbidt den koning als haar meester; zij vermag slechts te willen, bereiken niet de bevrediging zijner wenschen. Sardanapale streeft verder en verder in het willen van zijn geest. Jona voelt het snellen van de dineren rondom haar, de kortstondigheid van het

o

loopende gelukzand.

Sluiten