Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

twee gebouwd op het einde der middeleeuwen en in wier midden een raadhuis prijkt, dat waard zou zijn, een stad van minstens dertig duizend inwoners te dienen. Op het plein er voor staat het zeer verdienstelijk standbeeld van Jacob van Maerlant, die hier werd geboren. Hij staart in streng peinzende houding voor zich uit, zijn eene been over het andere; achter hem liggen eenige boeken opgestapeld. Het is de dichterlijke visie, vastgezet in steen. Met zijn middeleeuwsche baret verpersoonlijkt hij de romantiek met stevige distinctie. Weer en wind heeft de steen ingevreten en uit zijn kraag drinken de vogels des hemels.

Nadat ik de trappen van het raadhuis had beklom men en in een groote, leege zaal was terechtgekomen, waar een twintig paar nieuwgemaakte klompen stonden, vernam ik in een aangrenzend vertrek eenig gestommel, waarop een jonge vrouw lachend te voorschijn trad en mij beduidde, haar te volgen in de groote voorzaal, nu tot mijn verwondering tot herbergkamer ingericht, voorzien van buffet en de noodige jenever en likeuren. Hier werd ik verwelkomd, wederom met lachende vriendelijkheid, door een jonge schoone, die mij toesprak in een eigenaardig Vlaamsch dialect, waarvan het verstaan den Noord-Nederlander niet gemakkelijk valt. Zonder omwegen deed zij de deur van de aangrenzende raadzaal open. Eveneens een hoog en plechtig, door kleine vensters zwak verlicht lokaal. Een kolossale, een mans-hoogte-lange vuurtang stond nog bij den schoorsteen, zooals ook de oude ijzers, waarop eens de

Sluiten