Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

r

en bruin en zwart in het gouden licht, hunne linkerhand devotelijk rustend op de borst van den woesten vent, die ze draagt en voert van den eenen naar den anderen hoek.

In rooden gloed vast aan den muur straalt het gezicht der lange meid met de roode japon in den rossen schijn en de nevelstof, in het rokgewaai en beengezwaai en armbeweeg en ruggespring der dansers al, waardoor nu vliegt geheel alléén een kerel groot. Zijne pet die danst op het harenbosch, dat in gekrul met zwarten glans wipt en verdwijnt onder de^ruin glimmende zoldering. Hij lacht en grijnst en klein zwart stippend met gouden vonk zijn oogjes schitteren.

Maar de meid staat op en rood en groot aan het zwieren. Geweken zijn allen naar den muur. Zij staat in het midden van t lokaal en draait en draait, de rokken breed in t waaiend stof, geheel alléén. Bewonderend stil staan allen in t rond. Zij komt en gaat in vluggen galop, vliegt van den eenen naar den anderen hoek, draait als een tol in het midden van de zaal wijd-waaiend vlug haar roode rok. Zij komt en gaat, zwemt door de lucht met ranken arm en ranke been. Hoog gaat haar hoofd, haar gezicht is strak, de oogen neer, soms glimt een lach op haar rooden mond, verdwijnt dan weer. Hoog blinkt haar haar en daalt haar lijf in ijle vlucht en op en neer. Dan staat ze weer en draait op de spits van haar fijnen voet, recht haar been in het rokgewaai spreidend wijd hare roode japon als

Sluiten