Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rooden gloed in vollen storm, als een wervelwind. En

zachter nu, de oogen dicht in lichte vlucht.

* *

*

De kerel komt en grijpt haar aan met zware hand. Zij lacht en vliegt met hem in 't rond. En alles kijkt. De muziekant speelt gauwer zijne harmonica. En hoog op de tafel in den hoek naast 't ledikant in den muur grijnst het lange wijf, de bazin van 't spul, de wangen

hol met mageren hals en oud en geel gerimpeld.

* *

*

Dan komen de anderen weer en paren huppelen los dooreen. En als een prins met zijne prinses, danst de zwarte vent met de roode meid.

Hare oogen brutaal en rond, wijd open haar breede mond met de tanden blank, hare kin vooruit in scherpen lach.

In het gespring loert de vent haar in het oog; haar hoofd dat zinkt naar achteren. Zij laat zich gaan, de oogen zacht gesloten en vliegt in het rond in lichte vaart.

Sluiten