Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZÜ geeft iets eentonigs. De meeste groote dichters zijn dichters der smart en deze schijnt hij nooit gekend te hebben. Iemand die niet geweend heeft kan geen groot dichter zijn. Hoor bij Dante den zwaren bastoon der smart somber woelen en opstijgen als het geroffel van een vulkaan of hoor de klagende zangen van de kerkerscène uit Faust en ge zult kunnen gissen dat iets aan onzen dichter ontbreekt. Ik benijd hem als mensch en wensch dat er aan zijn geluk geen einde komt, dat geluk dat hij door de lectuur van Spinoza schijnt gevonden te hebben.

„Hoe heeft één man en door de tijden heen mij dat geluk gegeven! — 't Is alsof hij uit de nevelen van het verleden nog leefde en mij als een levend man aanwezig zijn diepe gedachten bracht."

Zoo spreekt de dichter in het derde en laatste gedeelte van zijn boek. Geheel in den geest van zijn meester zijn in dit laatste alle passies geweken en redeneert zijn koele verstand over geluk. In deze bladzijden is geen enkel gedicht dat eene forsche impressie maakt: het is alles netjes sereen als een tuintje van Le Nótre waar de watervallen zijn uitgedroogd.

Naar ik gezien heb heeft de heer Gorter in den Nieuwen Tijd zijne stelling over de burgerlijke poëzie opnieuw volgehouden en daar uitvoeriger. Welnu, hij geve ons de nieuwe poëzie, hij geve ons een enkel gedicht. Hij kan toch niet verlangen dat men in zulke onwaarschijnlijke beweringen als de zijne hem op zijn

Sluiten