Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kenis heb ik scherper herinnering bewaard. Zoo weet ik een jammerlijke dag ergens in Klein-Azie, ik meen in de buurt van Smyrna. Wij waren beiden ziek geweest door schadelijke kost, mijn vader en ik, en hadden hulpeloos gelegen in een zeer slechte herberg. In dien tijd hadden dieven al ons goed gestolen en toen wij verder trekken wilden konden wij geen paarden krijgen, want de bevolking was bevreesd voor de dieven en hun wraak als wij ze zouden aanklagen. Tusschen een troep groezelige, druk met elkander overleggende Syriers in een brandend-heete straat, stond ik naast mijn vader en zag naar zijn uitgeputte gelaat, bleekgeel en ingevallen door de ziekte, met glinsterende strepen van 't zweet, en een uitdrukking van doodelijke moeheid en hardnekkig willen.

Hij had een pistool in elke hand en herhaalde een paar bevelende woorden, telkens weer, terwijl uit de bruine, glimmende koppen rondom soms brutaal, soms klagend, soms spottend, luide, voor mij onverstaanbare antwoorden kwamen. Ik zag de wreede, baatzuchtige, onverschillige gezichten, met de wilde oogen, en wist hoe kort de afstand was tusschen ons leven en den dood. Nog komt mij de branderige wilde-beesten geur van die plaats te binnen en hoor ik het geluid van een eentonig gezang met gedoedel en tromgebons in de verte, en het papier-achtig geschuifel der palmbladen

Sluiten