Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIII.

Men heeft [mij in mijn jeugd wel eens een dichter genoemd, en hoewel vaag en op goed geluk, toch niet geheel onjuist. Want ik ben een suggestie-vernieler, een groep-breker, een weg-zwerver van de kudde, een afgodenhater, — maar ook een vreugde-, schoonheid- en zaligheidzoeker, een werkelijkheid-minnaar. En dat alles zijn dichter-kenmerken.

Maar verzen-maken was mijn werk niet. Laat mij het onwil noemen, dan moogt gij spreken van onmacht, en misschen zeggen wij dan nog beiden hetzelfde. Ik vereer en bewonder de groote zangers, maar heb zelf altijd een belemmering gevoeld als ik mijn persoonlijke en intieme aandoeningen wilde metamorfozeeren tot zelfstandige dingen en tot publiek eigendom. Het was mij of ik ze voor die kuur moest keelen, zooals Medea het haren schoonvader Aeson deed, — en dat vermocht ik niet.

Evemin kon ik gestalten scheppen, die mijn leed, mijn zwakten, mijn malligheden en mijn deugden op

Sluiten