is toegevoegd aan uw favorieten.

De nachtbruid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wereldleven toonde hij schoon en groot te zijn, al waren de menschen en de dingen in hun eigen wezen leelijk. En dat was voor mijn vroegrijpe ziel zulk een openbaring en een weldaad, dat ik volstrekt niet gelooven wou dat deze man een doodgewone Hollander was geweest, die gekund had wat geen van mijn grootste landgenooten had vermocht. Maar ik hield hem voor een vreemde, toevallig hier tot mensch geworden God, en ik vereerde hem boven alle heiligen van mijn kalender. Ja, ik wenschte wat vaak, dat hij toch Christus mocht blijken te zijn, want dan zou ik weten waaraan ik mij te houden had. Want het mag veel zijn om als Giotto, en Fra Angelico, en Rafaël, en Tizian te toonen hoe schoon het menschelijk wezen is en gedacht kan worden, maar er is toch meer troost en verlossing in te toonen hoe in 't onschoone, geringe en leelijke het goddelijk leven leeft, en schoon is en zelfs door ons arme menschen als schoon gezien kan worden. Ja, al was het maar nog zoo gebrekkig, zooals in menig stuk, dat mij een bang en vertwijfeld gevecht geleek om toch iets van het eeuwige schoon te voorschijn te brengen, het was er, het was zichtbaar, soms een kleine schemer in een donkere, woeste wolk van leelijkheid, en de groote taak was weer verricht, de groote troost gebracht.

En eindelijk bezocht ik met mijn vader het kleine