Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heilige, zoovele jaren in den plechtigen schemer van herinneringslicht aangebedene, eindelijk weer zou terug zien. Mijn hart bonsde en mijn handen trilden, toen ik achter den banalen hotel-kellner voor de gesloten kamerdeur stond en de stem hoorde, zacht, kwijnendvriendelijk, die tot intreden noodde.

Daar stond zij, lang, recht, hetzelfde gelaat met de lichtgrijze oogen en de diepe kringen daar onder, maar nu veel bleeker, en het eens blonde haar nu zilverwit, onder zwartkanten sluier. Haar kleeding was zwart en wit, met een groot zilver crucifix aan een zwarte ketting. Ik viel voor haar op de knieen en kuste haar handen. Ze kuste mij op 't voorhoofd en hief mij op. Ik huiverde van ontroering toen ik haar koele, weeke, lippen voelde, en haar gelaat zoo dichtbij zag, met de teere violet-bleeke en ambergele tinten, en de tallooze, fijne, elkaar kruisende rimpeltjes, — en ik rook de oude welbekende wierrook-en-lavendel geur, — en voelde haar zuiveren adem op mijn voorhoofd. Het was een oogenblik vol wijding. Ook al ware zij niet mijn moeder geweest, zou ik toch ontzag en veneratie gevoeld hebben, voor deze statige en voorname vrouw, met haar expressie van lang, geduldig gedragen lijden, met haar frisschen weiverzorgden ouderdom, haar plechtige, waardige kleedij, en de eigenaardige -sfeer van zuiverheid en reinheid die haar scheen te

Sluiten