is toegevoegd aan uw favorieten.

De nachtbruid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeeboezem is en bij ruw weer geen waagstukken met kleine zeilbootjes toelaat. Maar na eenige weken wist hij toch te bereiken waar 't hem om te doen was, en ik volgde hem gaarne.

Op een namiddag waren wij uitgezeild, onze oliepakken aan, en de schipper die, halverlijve in 't water, ons van wal door de branding duwde, had gewaarschuwd binnen twee uur terug te zijn, daar dan de eb inviel en de sterke trekking ons bij de frische noorderbries het landen moeielijk zou maken. Mijn vader had geknikt, alsof hij aan iets anders dacht, en de luimen van de grauwe, geduchte Noordzee al lang had doorgrond en berekend.

Een uur zeilden wij zwijgend dóór, zooals vaak onze gewoonte was, mijn vader aan 't roer. De kust was een flauwe, lichte lijn geworden, waarboven een dunne witte nevel hing van 't schuim der branding. Ik lag op de plecht, keek naar land en horizon, — toen op mijn horloge, en zei:

— «Door de wind gaan, vader! — 't is tijd.»

Hij scheen niet te hooren, en ik keek naar hem om, herhalend: «'t is tijd! — omkeeren!

Toen zag ik dat hij niet hooren wou. Hij had het groot-zeil krap aangehaald, scherp oploevend, de schoot vastgezet, en staarde vast en ver voor zich uit onder den grooten, gelen zuidwester. Zijn oogen hadden de