Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

harde, stekende uitdrukking van oude menschen die na langen levenskamp nog voor hun restje adem vechten, of van verwende, lang-gefolterde zieken, of van uitgehongerden of schipbreukelingen die voor niets of niemand meer gevoel hebben dan voor eigen nood. Tusschen zijn kortgeknipte, grauwe bakkebaarden en zijn dicht gepersten mond zag ik twee vale groeven zijn wangen zoo diep plooien, als ik dat vroeger nooit had opgemerkt. Ik voelde op eenmaal een deernis, zooals ik nog niet voor hem gevoeld had, alsof 't besef van al het leed dat hij toch onder mijn oogen geleden had, nu plotseling tot mij doordrong.

— «Wat scheelt je, vader?» vroeg ik. Hij begon te praten, alsof er geen wind en geen zee om hem was, onverschillig-weg, maar 't roer nog houdend.

— «Je zei voor drie jaar dat je nu verloren zou zijn. Ik geloof dat je gelijk hebt. Je bent het.» —

— «Neen, vader, ik geloof dat ik mij vergist heb. Ik begin redding te zien.»

— «Je ziet geen redding, Vico, je ziet ondergang. Ik begrijp 't heel goed. Je moeder heeft je weer in haar klauwen. Zij is een harpij, — ken je die beesten? Half vrouw, half gier. Ze zuigen de helft van je gezonde levensbloed uit en dan vullen ze 't weer aan met gal. Haar afgod is de melancholie en de droefenis. I Lijden, pijn, verdriet, kwelling, bitterheid, dat zijn

Sluiten